← Terug Groupe verbal — S2

⏪ L'OVT II

Imparfait des verbes réguliers et irréguliers, dont les auxiliaires de mode.

Rappel : l'OVT (Onvoltooid Verleden Tijd)

L'OVT est l'imparfait ou passé simple. Il s'utilise surtout à l'écrit et dans les récits. À l'oral, on préfère le VTT (passé composé).

1. Verbes RÉGULIERS : la règle du 't kofschip

Pour les verbes réguliers, l'OVT se forme à partir de la stam (radical) :

InfinitifStamDernière consonneOVT (sg)OVT (pl)
werkenwerkk → 't kofschipwerktewerkten
stoppenstopp → 't kofschipstoptestopten
fietsenfietss → 't kofschipfietstefietsten
levenleeff → MAIS origine vleefdeleefden
reizenreiss → MAIS origine zreisdereisden
makenmaakk → 't kofschipmaaktemaakten
spelenspeell → pas dans 't kofschipspeeldespeelden

2. Verbes IRRÉGULIERS — liste des plus courants

Ces verbes ont une forme d'OVT propre (changement de voyelle, forme différente). À mémoriser !

InfinitifOVT (sg)VTT (VD)Traduction
zijnwasgeweestêtre
hebbenhadgehadavoir
gaanginggegaanaller
komenkwamgekomenvenir
zienzaggezienvoir
nemennamgenomenprendre
gevengafgegevendonner
rijdenreedgeredenrouler
schrijvenschreefgeschrevenécrire
lezenlasgelezenlire
etenatgegetenmanger
drinkendronkgedronkenboire
vindenvondgevondentrouver
blijvenbleefgeblevenrester
lopenliepgelopenmarcher / courir
staanstondgestaanêtre debout
zittenzatgezetenêtre assis
liggenlaggelegenêtre couché / situé
zeggenzeigezegddire
vragenvroeggevraagddemander
doendeedgedaanfaire
wetenwistgewetensavoir
denkendachtgedachtpenser
brengenbrachtgebrachtapporter
kopenkochtgekochtacheter
zoekenzochtgezochtchercher
kunnenkongekundpouvoir
moetenmoestgemoetendevoir
mogenmochtgemogenavoir le droit
willenwilde / wougewildvouloir
zullenzoualler (futur) / devoir
vallenvielgevallentomber
houdenhieldgehoudentenir / aimer
snijdensneedgesnedencouper
sprekensprakgesprokenparler
helpenhielpgeholpenaider
beginnenbegonbegonnencommencer
vergetenvergatvergetenoublier
sturenstuurdegestuurdenvoyer
latenlietgelatenlaisser / faire faire

3. OVT des auxiliaires de mode

InfinitifOVT singulierOVT pluriel
kunnenkonkonden
mogenmochtmochten
moetenmoestmoesten
willenwilde / wouwilden / wouden
zullenzouzouden
Gisteren werkte hij de hele dag. Hier, il travaillait toute la journée.
Ze kon niet komen. Elle ne pouvait pas venir.
Hij zag zijn vriend op straat. Il vit son ami dans la rue.

🏋️ Exercice 1 — Mets à l'OVT

1. werken (hij) →
2. zijn (ze, pl.) →
3. gaan (ik) →
4. stoppen (we) →
5. zien (hij) →
6. kunnen (ze, pl.) →
7. fietsen (ik) →
8. lezen (hij) →
9. moeten (we) →
10. schrijven (ze, sg) →
11. spelen (ik) →
12. komen (hij) →

🏋️ Exercice 2 — Régulier ou irrégulier ?

1. werkte — type ?
Régulier
Irrégulier
2. ging — type ?
Régulier
Irrégulier
3. speelde — type ?
Régulier
Irrégulier
4. zag — type ?
Régulier
Irrégulier
5. fietste — type ?
Régulier
Irrégulier
6. schreef — type ?
Régulier
Irrégulier
7. maakte — type ?
Régulier
Irrégulier
8. dacht — type ?
Régulier
Irrégulier

🏋️ Exercice 3 — Complète le récit au passé

Mets les verbes entre parenthèses à l'OVT.

Gisteren ik naar het centrum. Ik want de bus niet. In de winkel ik mijn vriend Tom. Hij een cadeau voor zijn moeder. We samen een koffie en toen we naar huis. Het een leuke dag.