← Terug Groupe verbal — P5 → S1

🕐 L'OTT — le présent

Onvoltooid tegenwoordige tijd : formation de la stam, règles de conjugaison et irréguliers.

1. La STAM (radical)

Trouver la stam : infinitif − en

La stam est la base de toute la conjugaison. On l'obtient en retirant -en de l'infinitif.

InfinitifStamRemarque
werkenwerk
lopenloopo long → oo en syllabe fermée
rijdenrijd
stoppenstopdoublement → retiré
zittenzitdoublement → retiré (pas zitt)
levenleefv → f en fin de stam
reizenreisz → s en fin de stam

⚠️ v→f et z→s en fin de stam

En néerlandais, les consonnes sonores v et z deviennent sourdes en fin de mot :
leven → leef | reizen → reis

2. Conjugaison régulière

PersonneFormeExemple (werken)
ikstamik werk
jestam + tje werkt
hij/ze/hetstam + thij werkt
weinfinitifwe werken
jullieinfinitifjullie werken
zeinfinitifze werken
ustam + tu werkt

⚠️ Jij/Je PERD le -t après inversion !

Quand le sujet jij/je suit le verbe (inversion), le -t disparaît :
✓ Je werkt. (ordre normal)
✓ Werk je morgen ? (inversion → pas de -t)
✓ Morgen werk je niet. (inversion → pas de -t)

3. Verbes irréguliers essentiels

zijnhebbengaanziendoenkomen
ikbenhebgaziedoekom
jebenthebtgaatzietdoetkomt
hij/ze/hetisheeftgaatzietdoetkomt
wezijnhebbengaanziendoenkomen
julliezijnhebbengaanziendoenkomen
zezijnhebbengaanziendoenkomen

Être = zijn → Ik ben / Je bent / Hij is

Les trois formes singulières de zijn sont entièrement irrégulières et doivent être mémorisées.

4. Verbes réfléchis / pronominaux

Zich + infinitif

Ces verbes s'emploient avec le pronom réfléchi zich (ou me, je, ons, jullie selon la personne).

PersonneRéfléchiExemple (zich wassen)
ikmeIk was me.
jejeJij wast je.
hij/ze/hetzichHij wast zich.
weonsWij wassen ons.
julliejeJullie wassen je.
zezichZij wassen zich.
Ik kleed me aan. / Hij kleedt zich aan. Se habiller (zich aankleden)
Ze voelt zich ziek. Elle se sent malade. (zich voelen)
Wij vergissen ons. Nous nous trompons. (zich vergissen)

✏️ Exercice 1 — Conjuguez à toutes les personnes

Complétez le tableau.

Personnelopenrijden
ik
je
hij
we
jullie
ze

✏️ Exercice 2 — Corrigez les erreurs

Chaque phrase contient une erreur de conjugaison. Écrivez la forme correcte.

1. Ik werkt elke dag.
2. Je loop goed !
3. Werkt je morgen ?
4. Ze ben ziek.
5. We heeft een hond.
6. Hij rijd met zijn fiets.
7. Ik ziet de film niet.
8. Jullie gaat naar school.

✏️ Exercice 3 — Mettez au présent

Conjuguez le verbe entre parenthèses au présent (OTT).

1. Ik (zijn) moe.
2. We (hebben) een grote tuin.
3. Hij (werken) in Brussel.
4. Jullie (gaan) morgen op vakantie.
5. Ik (zich voelen) goed vandaag.