← Terug
Thema 1 - Stap 5

Woordenschat 2 : Mijn familie en huisdieren 👨‍👩‍👧‍👦

Le vocabulaire de la famille, des animaux domestiques et des relations avec les autres.

1. De naaste familie

de vaderle père
de moederla mère
de oudersles parents
de broerle frère
de zusla soeur
de grootvaderle grand-père
de grootmoederla grand-mère
de grootoudersles grands-parents
de ooml'oncle
de tantela tante
de neefle cousin / le neveu
de nichtla cousine / la nièce
enig kind zijnêtre enfant unique

2. Samengestelde gezinnen

gescheiden oudersdes parents divorcés
de stiefvaderle beau-père
de stiefmoederla belle-mère
de halfbroerle demi-frère
de halfzusla demi-sœur
de tweelingbroerle frère jumeau
de tweelingzusla soeur jumelle
de oudste kindl'aîné
de jongste kindle cadet
het middelste kindl'enfant du milieu

3. Huisdieren

de hondle chien
de katle chat
de visle poisson
het konijnle lapin
de vogell'oiseau
de hamsterle hamster
de caviale cochon d'Inde
een huisdier hebbenavoir un animal domestique
voor een dier zorgens'occuper d'un animal

4. Relaties met anderen

de vriend / de vriendin / de beste vriendl'ami / l'amie / le meilleur ami
goed met iemand opschietenbien s'entendre avec quelqu'un
ruzie maken (maakte - gemaakt)se disputer
elkaar helpens'entraider

Oefeningen: Test je kennis ! 🧠

Oefening 1: Wat betekent het ?

Trouve la bonne traduction.

1. De stiefmoeder
2. Enig kind zijn
3. Het konijn
4. Ruzie maken
5. Goed opschieten met
6. De tweelingbroer

Oefening 2: Vul de zinnen aan !

Complète avec : gescheiden, huisdier, neef, opa, oudste.

a) Ik ben de van de familie.
b) Mijn is vandaag jarig, hij wordt 70 jaar.
c) Heb jij een thuis ?
e) Mijn woont in Nederland en we spreken elkaar elke week.
f) Mijn ouders zijn sinds ik zes jaar oud was.

Oefening 3: Zoek de indringer !

Clique sur le mot intrus dans chaque groupe.

1. Familie:
2. Huisdieren:
3. Samengestelde gezinnen:
4. Relaties:
5. Plaats in het gezin:

Oefening 4: Vertaal de zinnen

Traduis ces phrases en néerlandais.

a) "J'ai un frère et une sœur." ➡️
b) "Mes grands-parents habitent à Bruges." ➡️
c) "Je m'entends bien avec mon demi-frère." ➡️
d) "Nous avons un chat et un lapin." ➡️
e) "Mes parents se disputent parfois." ➡️