← Terug
Thema 2 - Stap 6

Grammatica 2 : Ik moet, ik mag, ik kan... (modale werkwoorden) ⚡

Les verbes modaux te permettent d'exprimer une obligation, une permission, une capacité ou une volonté — indispensables pour parler des règles de l'école !

1. De vier modale werkwoorden

moetendevoir (obligation) — Ik moet mijn huiswerk maken.
mogenavoir le droit / pouvoir (permission) — Mag ik naar het toilet gaan ?
kunnenpouvoir / savoir (capacité) — Ik kan goed zwemmen.
willenvouloir (volonté) — Ik wil een goed rapport halen.

2. Vervoeging in de tegenwoordige tijd (présent)

moetenmogenkunnenwillen
ikmoetmagkanwil
jemoetmagkan / kuntwil / wilt
hij/ze/hetmoetmagkanwil
we/jullie/zemoetenmogenkunnenwillen

3. Constructie : modaal werkwoord + infinitief op het einde

Comme avec les autres structures à deux verbes (cf. zullen), le verbe modal est conjugué en 2e position, et l'infinitif part à la fin de la phrase :

sujet + modal + ... + infinitif

Ik moet vanavond mijn huiswerk maken.
We mogen in de les geen smartphone gebruiken.
Kun je morgen wat vroeger komen ?

4. Veelgebruikte schooluitdrukkingen

Mag ik naar het toilet ?Puis-je aller aux toilettes ?
Je moet je huiswerk op tijd inleveren.Tu dois remettre tes devoirs à temps.
Kun je dat nog eens uitleggen ?Peux-tu encore une fois expliquer cela ?
Ik wil graag een vraag stellen.J'aimerais poser une question.

Oefening 1 : Vul het juiste modale werkwoord in ! 🧠

Conjugue moeten, mogen, kunnen ou willen à la bonne personne.

a) Ik elke avond mijn agenda invullen. (devoir)
b) ik je iets vragen, mevrouw ? (avoir le droit)
c) Lina heel goed Frans spreken. (savoir / pouvoir)
d) Wij graag een leuke schoolreis organiseren. (vouloir)
e) Jullie stil zijn tijdens de toets. (devoir)
f) Je hier niet eten. (avoir le droit)
g) jij me helpen met mijn huiswerk ? (pouvoir)
h) Ik volgend jaar een betere leerling zijn. (vouloir)

Oefening 2 : Zet de zinnen in de juiste volgorde 🧠

Clique sur les mots dans le bon ordre pour reconstruire la phrase (n'oublie pas : verbe modal en 2e position, infinitif à la fin !).

1. (moet / Ik / mijn kamer / opruimen / vanavond)

moet Ik mijn kamer opruimen vanavond

2. (Mag / naar het toilet / ik / gaan / ?)

Mag naar het toilet ik gaan ?

3. (mogen / We / gebruiken / geen smartphone / in de les)

mogen We gebruiken geen smartphone in de les

4. (je / Kun / nog eens / dat / uitleggen / ?)

je Kun nog eens dat uitleggen ?

5. (een goed rapport / Ik / graag / wil / halen)

een goed rapport Ik graag wil halen