Reizen en vervoer
Vervoermiddelen
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| de trein | de | le train | Ze neemt de trein naar Brussel. |
| de tram | de | le tram | De tram stopt voor de school. |
| de bus | de | le bus / l'autobus | Hij neemt de bus naar het centrum. |
| de metro | de | le métro | In Brussel is er een metro. |
| de fiets | de | le vélo | Ze gaat met de fiets naar school. |
| de step | de | la trottinette | Hij rijdt op een elektrische step. |
| de auto / wagen | de | la voiture | Mijn ouders gaan met de auto. |
| de motor | de | la moto | Hij heeft een nieuwe motor. |
| het vliegtuig | het | l'avion | We vliegen naar Spanje. |
| het schip / de boot | het / de | le bateau / le navire | Ze maken een cruise op een groot schip. |
| de taxi | de | le taxi | We nemen een taxi van het station. |
| de deelfiets | de | le vélo en libre-service / le vélo partagé | Er zijn deelfietsen bij het station. |
| met de … reizen / gaan | — | voyager en … / prendre le … | We reizen met de trein. |
| te voet gaan | — | aller à pied | Ze gaat te voet naar de bakker. |
| carpooling | de | le covoiturage | Hij doet aan carpooling met collega's. |
Op het station en de luchthaven
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| het perron | het | le quai | De trein vertrekt van perron 4. |
| de spoorweg | de | la voie ferrée / le rail | De spoorweg loopt door de stad. |
| de dienstregeling | de | l'horaire | Kijk de dienstregeling na op de app. |
| vertrekken | — | partir / décoller | De trein vertrekt om 9u15. |
| aankomen | — | arriver | We komen om 11u aan in Gent. |
| overstappen | — | prendre une correspondance / changer | Je moet overstappen in Brussel. |
| vertraging | de | le retard | Er is tien minuten vertraging. |
| het loket | het | le guichet | Hij koopt een ticket aan het loket. |
| de automaat | de | l'automate / le distributeur | Ze koopt een ticket aan de automaat. |
| de enkele reis | de | l'aller simple | Een enkele reis naar Luik, alstublieft. |
| het retour | het | l'aller-retour | Ik neem een retour naar Antwerpen. |
| inchecken | — | s'enregistrer / faire son check-in | We moeten twee uur vroeger inchecken. |
| de gate | de | la porte (d'embarquement) | Ons vliegtuig vertrekt van gate B12. |
| de bagage / koffer | de | les bagages / la valise | Mijn koffer is te zwaar. |
| de handbagage | de | le bagage à main | Ik heb alleen handbagage. |
De weg en de stad
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| links | — | à gauche | Ga links aan het kruispunt. |
| rechts | — | à droite | De bakker is rechts. |
| rechtdoor | — | tout droit | Ga rechtdoor tot de rotonde. |
| terug | — | retour / faire demi-tour | We moeten terug gaan. |
| aan het einde van | — | au bout de | Het station is aan het einde van de laan. |
| op de hoek van | — | au coin de | De apotheek is op de hoek. |
| voorbij | — | après / au-delà de | Voorbij de brug links afslaan. |
| het kruispunt | het | le carrefour | Stop aan het kruispunt. |
| de rotonde | de | le rond-point | Neem de tweede afrit van de rotonde. |
| het zebrapad | het | le passage piéton / le passage clouté | Steek over op het zebrapad. |
| de weg vragen | de | demander son chemin | Hij vraagt de weg aan een voorbijganger. |
| een route plannen | de | planifier un itinéraire | Ze plant de route op haar gsm. |
| een kaart / GPS gebruiken | de | utiliser une carte / un GPS | Hij gebruikt de GPS in de auto. |
Reizen en toerisme
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| een reis plannen | de | planifier un voyage | Ze plant een reis naar Italië. |
| boeken | — | réserver / booker | Hij boekt een hotel online. |
| reserveren | — | réserver | Ze reserveert een kamer voor twee nachten. |
| een paspoort | het | un passeport | Je hebt een paspoort nodig. |
| een visum | het | un visa | Voor sommige landen heb je een visum nodig. |
| de bestemming | de | la destination | Wat is jullie bestemming? |
| een hotel | het | un hôtel | We logeren in een hotel in het centrum. |
| een hostel | het | une auberge de jeunesse | Ze slapen goedkoop in een hostel. |
| camping | de | le camping | We slapen op een camping aan zee. |
| het buitenland | het | l'étranger | Ze woont in het buitenland. |
| een excursie | de | une excursion | We maken een excursie naar de bergen. |
| een rondleiding | de | une visite guidée | We volgen een rondleiding in het museum. |
| souvenirs kopen | de | acheter des souvenirs | Ze koopt souvenirs voor haar familie. |
| Ik ga naar … | — | Je vais à / en … | Ik ga naar Spanje dit jaar. |
| Ik ben al geweest in … | — | J'ai déjà été en / à … | Ik ben al geweest in Parijs. |
Problemen onderweg & het verkeer (S3)
Reisproblemen — Incidents de voyage
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| de vertraging | de | le retard | Er is twintig minuten vertraging op de trein. |
| gemist hebben | — | avoir raté | Ze heeft de bus gemist. |
| verloren bagage | de | bagage perdu | Op de luchthaven is zijn koffer verloren gegaan. |
| een pech / defect | de / het | une panne | De auto heeft pech op de snelweg. |
| een lekke band | de | un pneu crevé | Hij heeft een lekke band op zijn fiets. |
| een ongeluk / botsing | het / de | un accident / une collision | Er is een ongeluk op de ring. |
| gestrand zijn | — | être bloqué(e) / être en rade | We zijn gestrand op de snelweg door de file. |
| omgeleid worden | — | être dévié(e) / être détourné(e) | Het verkeer wordt omgeleid via de ringweg. |
| de staking | de | la grève | Door de staking rijden er geen treinen. |
| een aansluiting missen | de | rater une correspondance | Hij mist zijn aansluiting in Brussel. |
Verkeer & wegen — Trafic et route
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| het verkeer | het | la circulation / le trafic | Het verkeer staat stil op de ring. |
| de file / het filerijden | de / het | l'embouteillage / être dans les bouchons | Er staat een file van tien kilometer. |
| de verkeersopstopping | de | le bouchon / l'embouteillage | Er is een verkeersopstopping door het ongeluk. |
| de snelheid | de | la vitesse | De maximumsnelheid op de autosnelweg is 120 km/u. |
| de snelweg / autosnelweg | de | l'autoroute | We rijden op de snelweg naar Gent. |
| de ringweg | de | la rocade / le ring | We nemen de ringweg om de stad te vermijden. |
| de afrit | de | la sortie (d'autoroute) | We nemen de afrit naar Leuven. |
| de oprit | de | l'entrée (d'autoroute) | De oprit naar de snelweg is links. |
| het kruispunt | het | le carrefour | Het ongeluk gebeurde op het kruispunt. |
| de voorrangsweg | de | la route prioritaire | Dit is een voorrangsweg. |
| inhalen | — | dépasser / doubler | Het is verboden te inhalen op dit stuk weg. |
| de flitscontrole | de | le radar (de contrôle de vitesse) | Er is een flitscontrole op de E40. |
Verkeerstekens & acties — Signalisation et actions
| Nederlands | Article | Français | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| de rijbaan | de | la voie (de circulation) | Blijf op de rechtse rijbaan. |
| de vluchtstrook | de | la bande d'arrêt d'urgence | Stopt nooit op de vluchtstrook tenzij in nood. |
| de verkeerslichten | de | les feux de circulation / les feux tricolores | Stop bij rode verkeerslichten. |
| een boete krijgen | de | avoir / recevoir une amende | Hij krijgt een boete omdat hij te snel reed. |
| tanken | — | faire le plein / prendre de l'essence | We moeten tanken voor we de snelweg opgaan. |
| opladen | — | recharger (voiture électrique) | Ze laadt haar elektrische auto op aan het laadpunt. |
| het parkeerprobleem | het | le problème de stationnement | In het stadscentrum is er altijd een parkeerprobleem. |
🧩 Oefening 1 — Welk vervoermiddel past bij de situatie?
1. Je wilt van Luik naar Brussel in 1 uur. Je neemt …
de trein
de fiets
de step
2. Je woont op 500 meter van school. Je gaat …
met het vliegtuig
te voet of met de fiets
met de boot
3. Je gaat naar New York. Je neemt …
de tram
de bus
het vliegtuig
4. In het stadscentrum wil je snel ergens geraken. Je neemt …
de tram of metro
het schip
de fiets van thuis
5. Je hebt geen auto maar wil met collega's reizen. Je doet aan …
een excursie
carpooling
een rondleiding
6. Je enkelbillet van Brussel naar Antwerpen heet een …
retour
enkele reis
dienstregeling
✏️ Oefening 2 — Beschrijf een route
Vul aan met het juiste woord: rechts · rechtdoor · links · kruispunt · rotonde · zebrapad
1. Ga tot aan het einde van de straat.
2. Aan het sla je af naar links.
3. Neem de tweede afrit van de .
4. De school is aan de kant.
5. Steek over op het voorbij de bakker.
6. Sla af aan het park en ga dan rechtdoor.