← Terug Champ lexical 6

🤝 Relations avec les autres

Amitié, émotions, communication et situations sociales.

Familie en vriendschappen

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
de vriend(in)del'ami(e) / le/la petit(e) ami(e)Mijn vriendin heet Laura.
de beste vriend(in)dele/la meilleur(e) ami(e)Mijn beste vriend ken ik al tien jaar.
een kennisdeune connaissanceHij is een kennis van mijn vader.
een buurdeun(e) voisin(e)Onze buur is heel vriendelijk.
een klasgenootdeun(e) camarade de classeZe is mijn klasgenoot dit jaar.
een collegadeun(e) collègueHij heeft goede collega's op het werk.
bevriend zijn metêtre ami(e) avecIk ben bevriend met haar al jaren.
opschieten metbien s'entendre avecZe schiet goed op met haar broer.
ruzie hebben metdese disputer avec / être en conflit avecHij heeft ruzie met zijn vriend.
zich verzoenense réconcilierZe hebben zich na de ruzie verzoend.
vertrouwenhetfaire confiance / la confianceIk vertrouw hem volledig.
steunensoutenirZe steunt haar vriendin altijd.
kwaad zijn opêtre en colère contre / fâché(e) contreHij is kwaad op zijn broer.

Gevoelens en emoties

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
blij / gelukkigcontent(e) / heureux/heureuseZe is heel blij met haar resultaat.
verdrietig / triesttristeHij is verdrietig om zijn hond.
boos / kwaaden colère / fâché(e)Ze is boos op haar vriend.
bang / angstigpeur / anxieux/anxieuseHij is bang van spinnen.
verliefdamoureux/amoureuseZe is verliefd op haar klasgenoot.
opgewondenexcité(e) / enthousiasteHij is opgewonden voor zijn verjaardag.
teleurgestelddéçu(e)Ze is teleurgesteld in het resultaat.
trotsfier/fièreMijn ouders zijn trots op mij.
jaloersjaloux/jalouseZe is jaloers op haar zus.
gestresseerdstressé(e)Hij is gestresseerd voor de toets.
ontspannendétendu(e) / relaxé(e)Ze voelt zich ontspannen na het bad.
nostalgischnostalgiqueHij is nostalgisch naar zijn oud dorp.
eenzaamseul(e) / solitaireZe voelt zich soms eenzaam.
dankbaarreconnaissant(e)Hij is dankbaar voor de hulp.
zich voelense sentirHoe voel je je vandaag?
zijn humeurhetson humeurZijn humeur is goed vandaag.

Communicatie en omgang

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
groetensaluerHij groet zijn buren elke dag.
voorstellenprésenter / se présenterZe stelt haar vriend voor aan haar ouders.
bedankenremercierHij bedankt zijn lerares.
verontschuldigens'excuserZe verontschuldigt zich voor haar gedrag.
complimenterencomplimenter / faire des complimentsHij complimenteert haar op haar werk.
bekritiserencritiquerZe bekritiseert het project niet.
aanmoedigenencouragerHij moedigt zijn vriendin aan.
adviserenconseillerZe adviseert haar broer.
overtuigenconvaincre / persuaderHij probeert haar te overtuigen.
discussiërendiscuter / débattreZe discussiëren over politiek.
een mening gevendedonner un avis / une opinionGeef je mening gerust.
het eens zijnêtre d'accordIk ben het eens met jou.
het oneens zijnne pas être d'accordZe is het oneens met zijn mening.
Mag ik je iets vragen?Est-ce que je peux te demander quelque chose ?Mag ik je iets vragen over je project?
Wat vind je van …?Qu'est-ce que tu penses de … ?Wat vind je van dit idee?
Ik begrijp het niet.Je ne comprends pas.Sorry, ik begrijp het niet. Kun je herhalen?

Sociale codes & beleefde formules (S2)

Begroeten — Saluer

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Hoi!Salut !Hoi! Hoe gaat het?
Hallo!Bonjour ! / Salut !Hallo! Fijn je te zien!
Goedemorgen!Bonjour ! (le matin)Goedemorgen, juf!
Goedemiddag!Bonjour ! (l'après-midi)Goedemiddag, meneer Janssen.
Goedenavond!Bonsoir !Goedenavond! Kom binnen.
Dag!Bonjour ! / Au revoir !Dag mevrouw, tot morgen!
Hoe gaat het?Comment vas-tu / vous ?Hoe gaat het met jou?
Alles goed?Tout va bien ?Alles goed bij jou thuis?
Fijn je te zien!Ravi(e) de te voir !Fijn je te zien na zo lang!

Afscheid nemen — Prendre congé

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Doei!Ciao ! / Tchao !Doei! Tot morgen!
Tot ziens!Au revoir !Tot ziens, meneer.
Tot later!À tout à l'heure !Tot later, ik ga even boodschappen doen.
Tot morgen!À demain !Tot morgen, slaap goed!
Tot snel!À bientôt !Tot snel! We spreken af volgende week.
Goede nacht!Bonne nuit !Goede nacht! Tot morgen.
Fijne dag!Bonne journée !Fijne dag! Tot volgende week.

Bedanken — Remercier

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Dank je (wel)!Merci (bien) !Dank je wel voor je hulp!
Dankjewel!Merci !Dankjewel, dat is lief!
Bedankt!Merci ! / Je vous remercie !Bedankt voor het cadeau!
Heel erg bedankt!Merci beaucoup ! / Merci infiniment !Heel erg bedankt voor alles!
Dat is lief van je!C'est gentil de ta part !Dat is lief van je, echt!
Graag gedaan!Avec plaisir ! / De rien !Graag gedaan! Geen moeite.
Geen probleem!Pas de problème ! / De rien !Geen probleem, ik help je graag.

Verontschuldigen — S'excuser

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Sorry!Désolé(e) ! / Pardon !Sorry, dat was niet mijn bedoeling.
Excuseer!Excusez-moi ! / Pardon !Excuseer, mag ik er even langs?
Pardon!Pardon ! / Excuse-moi !Pardon! Ik had je niet gezien.
Het spijt me!Je suis désolé(e) !Het spijt me echt dat ik te laat ben.
Dat was niet mijn bedoeling.Ce n'était pas mon intention.Dat was niet mijn bedoeling, sorry.
Mijn excuses.Toutes mes excuses. / Je vous présente mes excuses.Mijn excuses voor de vertraging.

Aanspreken — S'adresser à quelqu'un

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Meneer...Monsieur...Meneer, mag ik u iets vragen?
Mevrouw...Madame...Mevrouw, kunt u mij helpen?
Jij / je (informel)Tu (informel)Jij spreekt heel goed Nederlands!
U (formel)Vous (de politesse)Spreekt u Nederlands?
Mag ik je / u iets vragen?Puis-je te / vous demander quelque chose ?Mag ik u iets vragen over de les?

Uitnodigen & reageren — Inviter et répondre

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Heb je zin om...?Tu as envie de... ?Heb je zin om vanavond te gamen?
Ik nodig je uit voor...Je t'invite à / pour...Ik nodig je uit voor mijn verjaardag.
Ja, graag!Oui, avec plaisir !Ja, graag! Hoe laat?
Helaas, ik kan niet.Malheureusement, je ne peux pas.Helaas, ik kan niet komen vanavond.
Een andere keer misschien?Une autre fois peut-être ?Een andere keer misschien? Dit weekend ben ik bezet.

Sociale situaties

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
een feestjehetune fêteZe organiseert een feestje op zaterdag.
een verjaardagdeun anniversaireMorgen is het zijn verjaardag.
een familiefeesthetune fête de famille / une réunion de familleMet Kerstmis is er een familiefeest.
uitgenodigd wordenêtre invité(e)Ze wordt uitgenodigd op het feest.
een cadeau gevenhetoffrir un cadeau / faire un cadeauHij geeft haar een cadeau.
feliciterenféliciterZe feliciteert hem met zijn verjaardag.
condolerenprésenter ses condoléancesHij condoleert zijn buur.
trouwense marierZe trouwen volgend jaar.
scheidendivorcer / se séparerZijn ouders zijn gescheiden.
rouwenêtre en deuil / pleurer la mort deZe rouwt om haar opa.
Hoe gaat het?Comment vas-tu ? / Comment ça va ?Hoe gaat het met jou?
Het gaat goed / slecht.Ça va bien / mal.Het gaat goed, dank je.
druk hebbenêtre occupé(e) / débordé(e)Ze heeft het heel druk deze week.
rustig hebbenavoir du calme / ne pas être trop chargé(e)Hij heeft het rustig in de vakantie.

🧩 Oefening 1 — Welke reactie past bij de situatie ?

1. Je vriendin heeft haar examen gehaald. Je …
feliciteert haar
condoleert haar
bekritiseert haar
2. Je hebt iets stoms gezegd. Je …
feliciteert hem
verontschuldigt je
overtuigt haar
3. Je vriend heeft zijn opa verloren. Je …
complimenteert hem
feliciteert hem
condoleert hem
4. Je kent iemand niet. Je …
stelt jezelf voor
rouwt
discussieert
5. Je bent blij met het resultaat van je vriend. Je …
bekritiseert hem
moedigt hem aan en complimenteert hem
bent het oneens
6. Iemand bedankt jou. Je antwoordt …
Smakelijk eten!
Graag gedaan! / Geen probleem!
Ik begrijp het niet.

✏️ Oefening 2 — Vul het dialoog aan

Gebruik de woorden: gaat · eenzaam · gestresseerd · opschieten · feliciteer · trots

A: Hoe het met jou?
B: Niet zo goed. Ik voel me een beetje deze week.
A: Dat begrijp ik. En hoe jij met je nieuwe klasgenoten?
B: Best goed! Maar ik ben ook heel voor de toetsen.
A: Ik je alvast voor je inzet!
B: Dank je! Mijn ouders zijn ook heel op mij.