Het lichaam — Le corps
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| het hoofd | het | la tête | Mijn hoofd doet pijn. |
| het gezicht | het | le visage | Ze heeft een mooi gezicht. |
| de ogen | de | les yeux | Hij heeft blauwe ogen. |
| de neus | de | le nez | Mijn neus loopt. |
| de mond | de | la bouche | Open je mond, alsjeblieft. |
| de oren | de | les oreilles | De muziek is te luid voor mijn oren. |
| de tanden | de | les dents | Je moet twee keer per dag je tanden poetsen. |
| de nek | de | la nuque / le cou | Mijn nek is stijf. |
| de schouder | de | l'épaule | Hij haalt zijn schouders op. |
| de arm | de | le bras | Ze heeft haar arm gebroken. |
| de elleboog | de | le coude | Hij stootte zijn elleboog. |
| de pols | de | le poignet | De dokter meet mijn pols. |
| de hand | de | la main | Geef me je hand. |
| de vinger | de | le doigt | Ik heb mijn vinger gesneden. |
| de borst | de | la poitrine / le sein | Pijn in de borst kan gevaarlijk zijn. |
| de buik | de | le ventre | Ik heb buikpijn. |
| de rug | de | le dos | Mijn rug doet pijn na het sporten. |
| de heup | de | la hanche | De operatie was aan de heup. |
| het been | het | la jambe | Hij loopt met een gebroken been. |
| de knie | de | le genou | Mijn knie is opgezwollen. |
| de enkel | de | la cheville | Ze heeft haar enkel verzwikt. |
| de voet | de | le pied | Mijn voeten zijn moe. |
| de teen | de | le doigt de pied | Hij stootte zijn teen. |
| de huid | de | la peau | Mijn huid is droog in de winter. |
| de spier | de | le muscle | Na het sporten heb ik spierpijn. |
| het bot | het | l'os | Het bot is gebroken. |
Ziek zijn & symptomen — Être malade & symptômes
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| pijn hebben | — | avoir mal | Ik heb pijn in mijn been. |
| hoofdpijn | de | mal de tête | Ik heb vreselijke hoofdpijn. |
| buikpijn | de | mal de ventre | Na het eten heb ik buikpijn gekregen. |
| keelpijn | de | mal de gorge | Ik kan bijna niet slikken van de keelpijn. |
| rugpijn | de | mal de dos | Mijn vader heeft chronische rugpijn. |
| koorts hebben | — | avoir de la fièvre | Ze heeft 39 graden koorts. |
| hoesten | — | tousser | Hij hoest de hele nacht. |
| niezen | — | éternuer | In de lente nies ik veel. |
| braken | — | vomir | Het kind heeft gebraakt na het eten. |
| zich misselijk voelen | — | se sentir nauséeux | Ik voel me misselijk in de auto. |
| duizelig zijn | — | avoir le vertige / être étourdi | Als ik te snel rechtstaa, word ik duizelig. |
| moe / uitgeput zijn | — | être fatigué / épuisé | Na de wedstrijd was hij helemaal uitgeput. |
| allergisch zijn voor | — | être allergique à | Ik ben allergisch voor noten. |
| een wonde / snijwonde | de | une blessure / une coupure | Hij heeft een diepe snijwonde aan zijn hand. |
| een blauwe plek | de | un bleu / hématome | Na de val had ze een grote blauwe plek. |
| een breuk | de | une fracture | De dokter vermoedt een breuk. |
| een ontsteking | de | une inflammation / infection | Hij heeft een ontsteking aan zijn keel. |
Bij de dokter & de apotheek — Chez le médecin & la pharmacie
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| de dokter / arts | de | le médecin | Ik heb een afspraak bij de dokter. |
| de verpleegster | de | l'infirmière | De verpleegster neemt mijn bloeddruk. |
| de tandarts | de | le dentiste | Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts. |
| de kinesist | de | le kinésithérapeute | Na de operatie moet ik naar de kinesist. |
| een afspraak maken | — | prendre rendez-vous | Ik wil een afspraak maken voor volgende week. |
| de wachtkamer | de | la salle d'attente | Er zijn veel mensen in de wachtkamer. |
| de consultatie | de | la consultation | De consultatie duurt ongeveer twintig minuten. |
| een recept | het | une ordonnance | De dokter geeft me een recept. |
| medicijnen / geneesmiddelen | de | les médicaments | Neem deze medicijnen drie keer per dag. |
| een pil / een tablet | de | un comprimé / une pilule | Slik de pil met wat water. |
| een siroop | de | un sirop | De kinderen krijgen hoestsiroop. |
| een zalf | de | une pommade / crème | Smeer de zalf op de wonde. |
| aspirine | de | l'aspirine | Aspirine helpt tegen hoofdpijn. |
| een pleister | de | un pansement | Doe een pleister op de snijwonde. |
| Ik heb last van... | — | J'ai des problèmes de... / Je souffre de... | Ik heb last van mijn rug. |
| Ik voel me niet goed. | — | Je ne me sens pas bien. | Ik voel me niet goed, ik wil naar huis. |
Gezond leven — Vivre sainement
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| gezond / ongezond eten | — | manger sainement / malsainement | Probeer gezond te eten, met veel groenten. |
| sporten | — | faire du sport | Ik sport drie keer per week. |
| voldoende slapen | — | dormir suffisamment | Tieners moeten voldoende slapen. |
| stress vermijden | — | éviter le stress | Probeer stress te vermijden voor de examens. |
| niet roken | — | ne pas fumer | Roken is slecht voor je longen. |
| weinig alcohol drinken | — | peu boire d'alcool | Weinig alcohol drinken is beter voor je gezondheid. |
| genoeg water drinken | — | boire assez d'eau | Je moet elke dag genoeg water drinken. |
| buiten zijn | — | être dehors / sortir | Buiten zijn in de natuur is goed voor de geest. |
| ontspannen | — | se détendre / relaxer | In het weekend ontspan ik graag. |
| meditatie | de | la méditation | Meditatie helpt om stress te verminderen. |
| een evenwichtige voeding | de | une alimentation équilibrée | Een evenwichtige voeding is de basis van goede gezondheid. |
Oefening 1 — Associez le symptôme à la partie du corps concernée
Choisissez la bonne partie du corps pour chaque symptôme.
1. Ik heb keelpijn. Welk lichaamsdeel doet pijn ?
de rug
de keel
de knie
de pols
2. Hij heeft een blauwe plek op zijn been. Wat is er waarschijnlijk gebeurd ?
Hij heeft koorts.
Hij is gevallen of gestoten.
Hij is allergisch voor pollen.
Hij heeft een ontsteking in zijn keel.
3. Ze niest veel en heeft een lopende neus. Wat heeft ze waarschijnlijk ?
Een gebroken arm.
Rugpijn.
Een verkoudheid of allergie.
Een blauwe plek.
4. Na het sporten doet zijn knie pijn. Welk woord beschrijft dit best ?
hoofdpijn
buikpijn
kniepijn
keelpijn
5. De dokter schrijft medicijnen voor. Wat geeft hij ook mee ?
een wachtkamer
een recept
een pleister
een consultatie
Oefening 2 — Dialoog bij de dokter (phrases à trous)
Complétez le dialogue avec les bons mots. Mots disponibles : afspraak — recept — pijn — voel — koorts — medicijnen
Dokter: Goedemiddag! Waarmee kan ik u helpen?
Patiënt: Ik me niet goed. Ik heb last van mijn keel.
Dokter: Heeft u ook ?
Patiënt: Ja, en ik heb ook veel in mijn hoofd.
Dokter: Ik geef u een voor antibiotica.
Patiënt: Dank u. Waar kan ik die kopen?
Dokter: Bij de apotheek. Maak over twee weken een nieuwe .