Schoolvakken en het lesprogramma — Matières et programme
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| wiskunde | de | les mathématiques | Ik vind wiskunde moeilijk maar interessant. |
| Nederlands | het | le néerlandais | In het vak Nederlands leer je schrijven en lezen. |
| Frans | het | le français | Frans is verplicht in Belgische scholen. |
| Engels | het | l'anglais | Engels is de internationale taal. |
| Duits | het | l'allemand | Niet alle leerlingen volgen Duits. |
| aardrijkskunde / geografie | de | la géographie | In aardrijkskunde leer je over landen en klimaten. |
| geschiedenis | de | l'histoire | Ik hou van geschiedenis omdat het spannend is. |
| biologie | de | la biologie | In biologie studeren we het menselijk lichaam. |
| chemie | de | la chimie | We doen experimenten in het chemielokaal. |
| fysica | de | la physique | In fysica leer je over krachten en energie. |
| informatica | de | l'informatique | In informatica leer je programmeren. |
| lichamelijke opvoeding / gym | de | l'éducation physique | Ik sport graag, dus hou ik van gym. |
| muziek | de | la musique | In muziek leren we noten en instrumenten. |
| beeldende vorming / tekenen | de | les arts plastiques / le dessin | Ik teken graag in het vak beeldende vorming. |
| godsdienst / zedenleer | de | la religion / la morale | Je kiest tussen godsdienst of zedenleer. |
| economie | de | l'économie | In economie leer je over geld en markten. |
| het rooster | het | l'horaire / l'emploi du temps | Mijn rooster voor morgen is erg druk. |
| een les / een uur | de / het | un cours / une heure de cours | We hebben zes uur les op woensdag. |
| een vrij uur | het | une heure libre / un libre | Tijdens mijn vrij uur ga ik naar de bibliotheek. |
In de klas en op school — En classe et à l'école
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| het lokaal | het | la salle de classe / le local | Ons lokaal is op de tweede verdieping. |
| het bord / het digitale bord | het | le tableau (interactif) | De leraar schrijft op het bord. |
| de bank | de | le banc / la table | Ga aan je bank zitten. |
| de rugzak | de | le sac à dos | Mijn rugzak is heel zwaar vandaag. |
| het schrift | het | le cahier | Schrijf de oefening in je schrift. |
| het handboek | het | le manuel scolaire | Open je handboek op bladzijde 45. |
| de agenda | de | l'agenda | Schrijf het huiswerk in je agenda. |
| de cursus | de | le cours (le document) | Ik heb de cursus van vorige week niet. |
| de leraar / lerares / leerkracht | de | le professeur / l'enseignant(e) | Onze lerares Nederlands is heel streng. |
| de directeur | de | le directeur | De directeur spreekt alle leerlingen toe. |
| de leerling | de | l'élève | Er zijn twintig leerlingen in onze klas. |
| de speelplaats | de | la cour de récréation | Tijdens de pauze spelen we op de speelplaats. |
| de refter | de | le réfectoire / la cantine | Ik eet mijn boterhammen in de refter. |
| de bibliotheek | de | la bibliothèque | Ik ga boeken zoeken in de bibliotheek. |
| de aula | de | l'aula / la salle de réunion | De schoolvergadering is in de aula. |
Werk en evaluatie — Travail et évaluation
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| een toets / test | de | un contrôle / test | We hebben morgen een toets wiskunde. |
| een examen | het | un examen | De examens beginnen in juni. |
| een project | het | un projet | We werken in groepen aan een project. |
| een taak | de | une tâche / un devoir | Ik moet deze taak voor vrijdag afmaken. |
| een spreekbeurt | de | un exposé oral | Mijn spreekbeurt gaat over klimaatverandering. |
| een rapport | het | un bulletin scolaire | Het rapport is niet zo goed dit trimester. |
| een punt / een cijfer | het | une note / une cote | Ik heb een goed punt voor mijn spreekbeurt. |
| slagen / mislukken | — | réussir / échouer | Ik wil slagen voor alle vakken. |
| een herkansing | de | une session de rattrapage | In augustus zijn er herkansingen. |
| huiswerk maken | — | faire ses devoirs | Na school maak ik eerst mijn huiswerk. |
| studeren | — | étudier / réviser | Ik studeer elke avond voor de examens. |
| herhalen | — | réviser / répéter | Je moet de leerstof regelmatig herhalen. |
| een samenvatting schrijven | — | écrire un résumé | Ik schrijf een samenvatting van elke les. |
| notities nemen | — | prendre des notes | Neem notities tijdens de les. |
| Ik ben goed/slecht in... | — | Je suis bon(ne) / nul(le) en... | Ik ben goed in talen maar slecht in wiskunde. |
| Ik vind ... moeilijk / makkelijk. | — | Je trouve ... difficile / facile. | Ik vind chemie erg moeilijk. |
Het Belgisch & Vlaams onderwijssysteem — Le système scolaire belge & flamand
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| het ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) | het | enseignement secondaire général (préparation à l'université) | In het ASO leer je veel theorie en ga je daarna naar de universiteit. |
| het TSO (Technisch Secundair Onderwijs) | het | enseignement secondaire technique (avec stages) | In het TSO combineer je theorie met technische vakken en stages. |
| het BSO (Beroepssecundair Onderwijs) | het | enseignement secondaire professionnel (formation pratique) | Het BSO geeft een praktische beroepsopleiding, bv. kok of kapper. |
| het KSO (Kunstsecundair Onderwijs) | het | enseignement secondaire artistique | In het KSO studeer je muziek, dans of beeldende kunst. |
| het 1e / 2e / 3e jaar | het | la 1re / 2e / 3e année | In het 1e jaar secundair ben ik 12 jaar. |
| de eerste / tweede / derde graad | de | le premier / deuxième / troisième degré | De derde graad is de laatste fase van het secundair. |
| de A-stroom / de B-stroom | de | le flux A (général) / le flux B (adapté) | In het 1e jaar kies je voor de A-stroom of de B-stroom. |
| een attest | het | une attestation (de réussite partielle) | Met een attest kan je doorstromen naar een andere richting. |
| een getuigschrift | het | un certificat (de fin d'études primaires/secondaires) | Na de lagere school krijg je een getuigschrift. |
| een diploma | het | un diplôme | Na de derde graad haal je je diploma secundair onderwijs. |
| slagen / mislukken | — | réussir / échouer | Ik wil slagen voor alle vakken dit jaar. |
| zittenblijven / overzitten | — | redoubler | Als je te veel mislukt, moet je het jaar overzitten. |
| de universiteit | de | l'université | Ze gaat naar de universiteit van Gent. |
| de hogeschool | de | la haute école | Hij studeert verpleegkunde aan de hogeschool. |
| een bachelor (3 jaar) | de | un bachelier (3 ans) | Na drie jaar haal je een bachelor. |
| een master (2 jaar) | de | un master (2 ans) | Ze doet een master in communicatie. |
| een graduaat | het | un graduat (formation courte en haute école) | Een graduaat duurt twee à drie jaar aan de hogeschool. |
| een doctoraat | het | un doctorat | Na zijn master doet hij een doctoraat in de wetenschappen. |
| inschrijven | — | s'inscrire | Je moet je vóór 30 september inschrijven. |
| inschrijvingsgeld betalen | — | payer les droits d'inscription | Het inschrijvingsgeld aan de universiteit is lager voor wie een beurs heeft. |
| op kot gaan | — | aller vivre en kourbi (logement étudiant) | Ze gaat op kot in Brussel omdat de universiteit ver is. |
| de studentenraad | de | le conseil étudiant | De studentenraad vertegenwoordigt alle studenten. |
| de kleuterschool (2,5–6 jaar) | de | l'école maternelle (2,5–6 ans) | Mijn dochtertje gaat naar de kleuterschool. |
| de lagere school (6–12 jaar) | de | l'école primaire (6–12 ans) | In de lagere school leer je lezen, schrijven en rekenen. |
| het secundair onderwijs (12–18 jaar) | het | l'enseignement secondaire (12–18 ans) | Het secundair onderwijs duurt zes jaar. |
| het hoger onderwijs (18+) | het | l'enseignement supérieur (18 ans et plus) | Na het diploma secundair kan je naar het hoger onderwijs. |
Na de middelbare school — Après le secondaire
| Néerlandais | Genre | Français | Exemple |
|---|---|---|---|
| na het secundair | — | après le secondaire | Na het secundair heb je veel keuzes. |
| verder studeren | — | continuer ses études | Ik wil verder studeren aan de universiteit. |
| een opleiding volgen | — | suivre une formation | Hij volgt een opleiding als kok. |
| een stage doen | — | faire un stage | In de opleiding moet je een stage doen. |
| afstuderen | — | obtenir son diplôme / terminer ses études | Ze studeert volgend jaar af. |
| een job zoeken | — | chercher un emploi | Na het afstuderen ga ik een job zoeken. |
| een CV schrijven | — | écrire un CV | Ik leer hoe ik een goed CV schrijf. |
| een sollicitatiegesprek | het | un entretien d'embauche | Ze is nerveus voor haar sollicitatiegesprek. |
| een diploma behalen | — | obtenir un diplôme | Met een diploma vind je makkelijker werk. |
| Ik wil later ... worden/zijn. | — | Plus tard, je veux devenir / être... | Ik wil later dokter worden. |
Oefening 1 — Associez la matière à sa description
1. In dit vak leer je landen, rivieren en klimaten kennen.
geschiedenis
aardrijkskunde
wiskunde
biologie
2. In dit vak doe je experimenten met stoffen en reacties.
fysica
informatica
chemie
muziek
3. In dit vak leer je programmeren en werken met computers.
economie
informatica
tekenen
wiskunde
4. In dit vak leer je over de Tweede Wereldoorlog en de Middeleeuwen.
geschiedenis
biologie
aardrijkskunde
Engels
5. In dit vak leer je bewegen, sporten en gezond leven.
muziek
wiskunde
lichamelijke opvoeding
godsdienst
Oefening 2 — Phrases à trous : la vie scolaire
Complétez avec : huiswerk — agenda — rapport — slagen — examen — leerling — rooster
1. Ik schrijf mijn altijd in mijn .
2. Het hangt aan de deur van het lokaal.
3. In juni zijn de examens. Ik wil voor alles .
4. Het van dit trimester was niet zo goed.
5. Elke moet op tijd aanwezig zijn in het lokaal.