← Terug Champ lexical 9

🛍️ Achats & services

Magasins, paiements, vêtements et services administratifs.

Soorten winkels en diensten — Types de magasins et services

NéerlandaisGenreFrançaisExemple
de supermarktdele supermarchéIk ga elke week boodschappen doen in de supermarkt.
de bakkerdela boulangerie / le boulangerElke ochtend koop ik een brood bij de bakker.
de slagerdela boucherie / le boucherBij de slager koop ik vers vlees.
de kaaswinkeldela fromagerieEr is een fantastische kaaswinkel op de markt.
de apotheekdela pharmacieIk haal de medicijnen op bij de apotheek.
de kledingwinkeldele magasin de vêtementsZe koopt haar kleren altijd in die kledingwinkel.
de schoenwinkeldele magasin de chaussuresIk zoek nieuwe sportschoenen in de schoenwinkel.
de boekenwinkeldela librairieIn de boekenwinkel koop ik mijn schoolboeken.
de elektronicawinkeldele magasin d'électroniqueMijn nieuwe laptop is van de elektronicawinkel.
het warenhuishetle grand magasinIn het warenhuis vind je van alles.
de marktdele marchéOp zaterdag is er een markt op het plein.
de kapperdele coiffeurIk ga naar de kapper voor een knipbeurt.
de bankdela banqueIk moet geld afhalen bij de bank.
het postkantoorhetla poste / le bureau de posteIk stuur een pakket via het postkantoor.
het gemeentehuishetla maison communale / la communeIk haal mijn identiteitskaart op bij het gemeentehuis.
online shoppen / thuisleveringfaire des achats en ligne / livraison à domicileIk bestel veel online en krijg thuislevering.

Kopen en betalen — Acheter et payer

NéerlandaisGenreFrançaisExemple
kopen / verkopenacheter / vendreIk wil dit jasje kopen.
betalenpayerWaar kan ik betalen?
de prijsdele prixWat is de prijs van dit paar schoenen?
het wisselgeldhetla monnaie (rendue)Mag ik mijn wisselgeld terug?
de korting / soldendela réduction / les soldesTijdens de solden zijn er grote kortingen.
de rekening / factuurdela facture / l'additionKan ik de rekening krijgen, alsjeblieft?
de bon / kassaticketdele ticket de caisseBewaar je kassaticket voor eventuele ruil.
contant betalenpayer en espècesIk betaal contant, met bankbiljetten.
met bancontact / kaart betalenpayer par bancontact / carteKan ik met bancontact betalen?
online betalenpayer en ligneIk betaal mijn bestelling online.
Hoeveel kost dat?Combien ça coûte ?Hoeveel kost dat jasje in de etalage?
Dat is te duur.C'est trop cher.Twintig euro? Dat is te duur voor een sjaal.
Heeft u dit in een andere maat/kleur?Vous l'avez dans une autre taille/couleur ?Heeft u dit in een andere maat?

Kleding en maten — Vêtements et tailles

NéerlandaisGenreFrançaisExemple
de maatdela taille / la pointureWelke maat heeft u?
passenessayer (vêtements)Mag ik dit jasje passen?
te groot / klein / lang / korttrop grand / petit / long / courtDeze broek is te lang voor mij.
de paskamerdela cabine d'essayageDe paskamer is achteraan rechts.
terugbrengen / ruilenrapporter / échangerIk wil dit shirt terugbrengen, het is te klein.
de garantiedela garantieHet toestel heeft twee jaar garantie.
de solden / de outletdeles soldes / l'outletTijdens de solden koop ik een nieuwe jas.
S / M / L / XLS / M / L / XLIk draag normaal maat M.

Maten, afmetingen & gewichten — Mesures, dimensions & poids

NéerlandaisGenreFrançaisExemple
groot / kleingrand / petitDit t-shirt is te groot voor mij.
lang / kortlong / courtDe broek is te lang, ik moet hem inkorten.
breed / smallarge / étroitDe schoenen zijn te smal voor mijn voeten.
hoog / laaghaut / basDie kast is te hoog voor de kamer.
dik / dunépais / finEen dikke trui is warm in de winter.
de lengtedela longueurWat is de lengte van de tafel?
de breedtedela largeurDe breedte van de kast is 80 cm.
de hoogtedela hauteurDe hoogte van de deur is 2 meter.
de dieptedela profondeurDe diepte van het zwembad is 1,5 meter.
de diktedel'épaisseurDe dikte van de muur is 20 cm.
de millimeter (mm)dele millimètre (mm)Een millimeter is heel klein.
de centimeter (cm)dele centimètre (cm)De stof is 150 cm breed.
de meter (m)dele mètre (m)Het is 1m80 lang.
de kilometer (km)dele kilomètre (km)De school is 2 kilometer ver.
het gewichthetle poidsWat is het gewicht van dit pakket?
de gram (g)dele gramme (g)Voeg 200 gram bloem toe aan het recept.
de kilogram / het kilo (kg)de / hetle kilogramme / le kilo (kg)Het weegt 2 kilo.
de tondela tonneEen olifant weegt meer dan vier ton.
de liter (l)dele litre (l)Ik drink elke dag een halve liter water.
de milliliter (ml)dele millilitre (ml)Voeg 250 ml melk toe.
het stukhetla pièce / l'unitéIk koop drie stuks.
het pakhetle paquetEen pak suiker weegt een kilo.
de doosdela boîteEen doos chocolade als cadeau.
het blikhetla boîte de conserve / la canetteEen blik tomaten voor de saus.
de flesdela bouteilleEen fles water, alsjeblieft.
de maat (kleding)dela taille (vêtements)Ik heb maat 38.
Europese maten: S / M / L / XL (36–44)tailles européennes : S / M / L / XL (36–44)Ik draag normaal maat M of 38.
de schoenmaatdela pointureMijn schoenmaat is 42.

Diensten en administratie — Services et administration

NéerlandaisGenreFrançaisExemple
een rekening openenouvrir un compte (banque)Ik wil een bankrekening openen.
geld afhalen / stortenretirer / déposer de l'argentIk haal geld af aan de automaat.
een overschrijving doenfaire un virementIk doe een overschrijving naar mijn vriend.
een pakket versturenenvoyer un colisIk verstuur het pakket via bpost.
een afspraak makenprendre rendez-vousIk maak een afspraak bij het gemeentehuis.
een formulier invullenremplir un formulaireU moet dit formulier invullen met uw gegevens.
een identiteitskaartdeune carte d'identitéMijn identiteitskaart is vervallen.
een paspoort aanvragendemander un passeportIk vraag een nieuw paspoort aan voor de vakantie.
het lokethetle guichetGa naar het loket rechts.
de wachtrijdela file d'attenteDe wachtrij bij de kassa is lang.

Oefening 1 — Dans quel magasin allez-vous ?

Choisissez le bon magasin pour chaque situation.

1. Je wilt verse frieten en stoofvlees kopen.

de bakker
de slager
de apotheek
het postkantoor

2. Je hebt hoofdpijn en wilt aspirine kopen.

de supermarkt
de apotheek
de elektronicawinkel
de kapper

3. Je wilt een pakket versturen naar je vriend in Gent.

de bank
de boekenwinkel
het postkantoor
het gemeentehuis

4. Je identiteitskaart is vervallen. Waar ga je naartoe?

de supermarkt
de kapper
de bank
het gemeentehuis

5. Je wilt een nieuw paar sportschoenen kopen.

de schoenwinkel
de kaaswinkel
de slager
het postkantoor

Oefening 2 — Dialogue d'achat à compléter

Complétez avec : passen — maat — kost — betalen — korting — paskamer

Verkoper: Goedemiddag ! Kan ik u helpen ?
Klant: Ja, ik zoek een jas. Hoeveel deze blauwe jas ?
Verkoper: Die kost 89 euro. We hebben nu 20% .
Klant: Prima ! Mag ik hem ?
Verkoper: Natuurlijk. De is links achteraan.
Klant: Hij past goed. Welke is dit? Het is een M.
Verkoper: Heel goed! Hoe wilt u ? Contant of met kaart ?